Van de ijzeren elegantie van St. Pancras Station tot de punktypografie van Never Mind the Bollocks: Brits design manifesteert zich in zowel monumentale als alledaagse objecten.
De London Underground-kaart (Harry Beck, 1931): Een toonbeeld van grafische helderheid, die stedelijke chaos distilleert in geordende eenvoud.
William Morris’s Strawberry Thief (1883): Een rel van kleur en gebladerte, die middeleeuws textielvakmanschap nieuw leven inblaast, in weerwil van de massaproductie.
De rode K6-telefooncel (Giles Gilbert Scott, 1935): Een karmozijnrode klap in de grijze straten van Groot-Brittannië, nu een embleem van nationale nostalgie.
De Mini Cooper (Sir Alec Issigonis, 1959): Een masterclass in compacte efficiëntie, waarbij bruikbaarheid wordt gecombineerd met modieuze branie.
Het albumillustraties van Sex Pistols (Jamie Reid, 1977): Een losgeldmanifest van rebellie, waarin grafische anarchie wordt gecombineerd met culturele subversie.
Vivienne Westwood’s tartan-kleermakerij (1976-heden): een samensmelting van punk-agressie en aristocratische traditie, waarbij de Britse mode met humor en durf wordt gedeconstrueerd.
Concorde (1969-2003): het supersonische icoon dat van de luchtvaart een daad van hoogstaand design maakte.
Dit zijn niet alleen objecten; het zijn hoofdstukken in het steeds groter wordende verhaal van Brits design, elk een visuele afkorting voor een culturele beweging, een technologische sprong of een radicale herdefinitie van schoonheid.