Matisses gedurfde gebruik van pure, ongenuanceerde kleur in werken als Vrouw met hoed (1905) bepaalde het fauvisme, een radicale beweging die academische tradities aan diggelen sloeg. Zijn meesterschap in compositie, te zien in Het rode atelier en De dans, veranderde de ruimte en reduceerde figuren en interieurs tot hun meest wezenlijke ritmes. Zijn collages van papierknipsels, de gouaches découpées, zoals Blauw naakt II (1952), gaven zijn latere jaren een nieuwe artistieke taal. Van de sensuele odalisken uit zijn Nice-periode tot de spirituele soberheid van de Rozenkranskapel sloeg zijn werk met ongeëvenaarde vitaliteit een brug tussen abstractie en figuratie.
Als rusteloos vernieuwer bedacht hij lijn, vorm en kleurharmonie opnieuw en verzekerde zo zijn plek als hoeksteen van het modernisme. Matisse beeldde het leven niet alleen af: hij vertaalde de energie ervan in pure visuele poëzie.